Ernest Mandel (onder pseud. Ernest Germain)

De waardewet met betrekking tot het zelfbeheer
en de investeringen in de economie van de arbeidersstaten


Bron: Engelstalig Ernest Mandel-archief
Gepubliceerd: Marxist Studies (Londen), jaargang 2, nr. 2, voorjaar 1970, pp. 15-29. Oorspronkelijk gepubliceerd in World Outlook (Parijs), nr. 14, 1963. Heruitgegeven in Fourth International (Parijs), nr. 18, 1964, pp. 17-24.
Vertaling/HTML: MIA-Nederlands
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !


Het Cubaanse tijdschrift Nueva Industria - Revista Económica, het orgaan van het Ministerie van Industrie, publiceerde in het nummer ? (oktober 1963) twee zeer interessante polemische artikelen, het ene geschreven door Ernesto Che Guevara en het andere door Commandante Alberto Mora, minister van Buitenlandse Handel. Deze polemiek getuigt ook van de vitaliteit van de Cubaanse revolutie op het gebied van de marxistische theorie. Het behandelt een aantal kwesties van groot belang bij de opbouw van een socialistische economie: de rol van de waardewet in de economie tijdens het overgangstijdperk; de autonomie van ondernemingen en zelfbeheer; investeringen via de begroting of door middel van eigen investeringen, enz. Deze kwesties gaan samen met het probleem van het ideale economische model in de overgangstijd van een onderontwikkeld land, een probleem dat de bolsjewieken in de periode 1923-1928 zeer interesseerde en dat de afgelopen jaren opnieuw de kop opstak, zij het op een laag theoretisch niveau, in Joegoslavië, Polen en zelfs de Sovjet-Unie.


Verwant
Machinerie en levende arbeid
Theorieën over waarde
Beginselen en toepassing van de marxistische economie

 

De waardewet in de economie tijdens de overgangsperiode

De kwestie van “toepassing” van de waardetheorie in de geplande en gesocialiseerde economie in transitie, is aan de grootste verwarring onderhevig geweest, vooral omdat Stalin deze in zijn laatste werk op een grove en simplistische manier aan de orde stelde: “Bestaat de waardewet (sic) en geldt zij in ons land? ... Ja, zij bestaat en zij is van toepassing.” Dit is een overduidelijke waarheid. Zolang er ruil plaatsvindt, blijft de warenproductie bestaan en wordt de ruil daardoor objectief beheerst door de waardewet. Deze laatste kan niet verdwijnen totdat de warenproductie afsterft; dat wil zeggen, bij de productie van een overvloed aan goederen en diensten.

Maar dit geeft geen antwoord op de concrete vraag waar de fundamentele discussie om draait die in 1924-1925 begon tussen Preobrazhensky en Boecharin en die zich, met ups en downs, tot op heden onder marxistische economen en theoretici heeft voortgezet: in welke exacte mate en op welk gebied is de waardewet van toepassing in de economie tijdens de overgangsfase?

Stalin zelf moest, hoewel hij de kwestie vertroebelde, het feit toegeven, dat de chroesjtsjovistische economen niettemin nu in twijfel beginnen te trekken; namelijk dat in de “socialistische” economie de arbeidswaardewet niet de regulator van de productie kan zijn, dat wil zeggen, geen bepalende rol kan spelen bij de investeringen.

In een ontwikkelde kapitalistische economie bepaalt de waardewet de productie via het spel van de winstvoet. Kapitaal stroomt naar de sectoren waar de winstvoet boven het gemiddelde ligt en de productie neemt daar toe. Kapitaal trekt zich terug uit de sectoren waar de winstvoet onder het gemiddelde ligt, en daar neemt de productie (althans relatief) af. Wanneer de productiemiddelen genationaliseerd zijn, zodat er geen markt voor kapitaal is, noch vrije toegang tot en terugtrekking uit de markt, noch zelfs de vorming van een gemiddelde winstvoet waarmee de winstvoet van elke afzonderlijke sector kan worden vergeleken, is er duidelijk geen mogelijkheid dat de “waardewet” rechtstreeks de “regulator van de productie” is.

Als in een onderontwikkeld land dat zijn socialistische revolutie heeft doorgevoerd, de ‘waardewet’ de investeringen zou reguleren, zouden deze bij voorkeur naar de sectoren stromen waar de winstgevendheid het hoogst is in verhouding tot de prijzen op de wereldmarkt. Maar juist omdat deze prijzen een concentratie van investeringen in de productie van grondstoffen bepalen, zijn deze landen onderontwikkeld. Ontsnappen aan onderontwikkeling, het land industrialiseren, betekent dat de investeringen bewust worden gericht op de sectoren die op dit moment het minst “winstgevend” zijn, volgens het criterium van de economische en sociale ontwikkeling op lange termijn van het land als geheel. Wanneer wordt gezegd dat het monopolie op de buitenlandse handel onmisbaar is voor de industrialisering van de onderontwikkelde landen, betekent dit dat deze industrialisering pas kan worden gerealiseerd als deze landen in staat zijn de waardewet “onschadelijk te maken”.

Maar misschien geldt deze nuancering alleen voor de “waardewet op de wereldmarkt"? Kan de waardewet niet op zijn minst de investeringen op nationale schaal beïnvloeden, als we de wereldprijzen buiten beschouwing laten? Ook dit is onjuist. De industrialisatie van een onderontwikkeld land kan niet snel en harmonieus worden doorgevoerd, tenzij de waardewet bewust wordt geschonden.[1]

In een onderontwikkeld land, en juist vanwege zijn onderontwikkeling, neigt de landbouw vanaf het begin “winstgevender” te zijn dan de industrie, zijn ambachten en de kleine industrie “winstgevender” dan de grote industrie, is de lichte industrie “winstgevender” dan de zware industrie, en is de particuliere sector “winstgevender” dan de genationaliseerde sector. Investeringen kanaliseren volgens de “waardewet”, dat wil zeggen volgens de wet van vraag en aanbod van waren die door verschillende takken van de economie worden geproduceerd, zou betekenen dat men bij voorrang monocultuur voor de export zou ontwikkelen; het zou betekenen dat men bij voorkeur kleine winkels voor de lokale markt zou bouwen in plaats van staalfabrieken voor de nationale markt. De bouw van comfortabele woningen voor de kleinburgerlijke of bureaucratische lagen (een investering die overeenkomt met de “effectieve vraag”) zou voorrang krijgen boven de bouw van goedkope woningen voor het volk, die duidelijk gesubsidieerd moeten worden. Kortom, alle economische en sociale kwalen van onderontwikkeling zouden ondanks de overwinning van de revolutie, opnieuw de kop opsteken.

In werkelijkheid ligt de doorslaggevende betekenis van deze overwinning, van de nationalisatie van de industriële productiemiddelen, van het krediet, van het vervoerssysteem en de buitenlandse handel (samen met het monopolie van laatstgenoemde), juist in het scheppen van de voorwaarden voor een industrialisatieproces dat zich onttrekt aan de logica van de waardewet. Economische, sociale en politieke prioriteiten, bewust en democratisch gekozen, krijgen voorrang boven de waardewet om de opeenvolgende fasen van de industrialisatie uit te stippelen. De prioriteit ligt niet bij onmiddellijke maximale opbrengsten, maar bij het uitbannen van werkloosheid op het platteland, het terugdringen van technologische achterstand, het doorbreken van de buitenlandse greep op de nationale economie, het waarborgen van de snelle sociale en culturele vooruitgang van de arbeidersmassa’s en arme boeren, het snel bestrijden van epidemieën en endemische ziekten, enzovoort, enzovoort.

Daarom volgt de industrialisatie van de arbeidersstaten een ander pad dan die van de kapitalistische landen, waar de industrie wordt opgebouwd te beginnen met de sectoren die het gemakkelijkst aan de “effectieve vraag” zullen voldoen.

De waardewet schenden is één ding; ze negeren is iets heel anders. De economie van een arbeidersstaat kan de waardewet alleen negeren ten koste van vermijdbare economische verliezen en nutteloze offers die aan de massa’s worden opgelegd, zoals we later zullen aantonen.

Wat houdt dit in? In de eerste plaats moet de gehele economie worden gebaseerd op een strikte berekening van de werkelijke productiekosten. Deze kosten zullen niet bepalend zijn voor investeringen; ze zullen niet automatisch naar de “goedkoopste” projecten gaan. Maar inzicht in de kosten betekent inzicht in het exacte bedrag aan subsidies dat de gemeenschap toekent aan de sectoren die zij bij voorrang wil ontwikkelen. Ten tweede dat er een stabiele maatstaf voor deze berekeningen moet zijn; zonder stabiel geld is er geen rigoureuze planning mogelijk. Ten derde dat alle sectoren waar economische of sociale prioriteiten geen voorkeur dicteren, daadwerkelijk moeten worden geleid door de “waardewet” (bijvoorbeeld verschillende gewassen die gericht zijn op de binnenlandse markt). Ten vierde: zolang consumptiegoederen handelswaar blijven, en afgezien van de waren en diensten die opzettelijk door de staat worden gesubsidieerd of gratis worden verstrekt (geneesmiddelen, school- en opleidingsmateriaal, boeken, enz.), zullen de voorkeuren van de consumenten vrij op de markt opereren; de wet van vraag en aanbod zal de prijzen beïnvloeden en het plan zal zijn geplande investeringen aanpassen aan deze schommelingen (binnen de grenzen van wat beschikbaar is aan financiële middelen, apparatuur, grondstoffen, enz.).

In het licht van deze inleidende opmerkingen kunnen we het belang van de twee problemen die in de polemiek tussen Guevara en Mora aan de orde zijn gesteld, in ogenschouw nemen: Wat is waarde? Zijn productiemiddelen in de overgangstijd handelswaren? Mora stelt dat waarde essentieel geen abstracte menselijke arbeid is; dat het “een verhouding is die bestaat tussen de beperkte beschikbare middelen en de groeiende behoeften van de mens” (p. 15). Sterker nog: hij stelt dat waarde een “categorie is die door de mens onder bepaalde omstandigheden en voor bepaalde (!) doeleinden is gecreëerd” (p. 15).

Het is duidelijk dat we hier te maken hebben met een subjectieve deformatie van het marxistische concept van de arbeidswaarde, waarvan Marx de essentie omschreef als abstracte menselijke arbeid. Het is geen toeval dat Mora verwijst naar de “neomarxistische” Sovjet-economen,[2] die in de USSR zelf terecht zijn aangevallen omdat ze stiekem de marginale waardetheorie zouden willen invoeren. Zijn opvatting, volgens welke de “waardewet het economische criterium is voor het reguleren van de productie” in de overgangstijd (p. 17) - terwijl hij bevestigt dat dit niet de enige regulator is - houdt noodzakelijkerwijs het idee in dat er “ruil van productiemiddelen” plaatsvindt, zelfs wanneer deze volledig genationaliseerd zijn, dat er “verkoop van waren” plaatsvindt, zelfs wanneer deze productiemiddelen van de ene genationaliseerde onderneming naar de andere overgaan, en dat de “tegenstellingen” tussen de staatsbedrijven de bewering rechtvaardigen dat er bij deze uitwisselingen een “eigendomswisseling” plaatsvindt (p. 19). Al deze beweringen zijn in strijd met de werkelijkheid en met de marxistische theorie. Op al deze punten heeft Che Guevara volkomen gelijk tegenover Mora.

Mora stelt dat als men bij investeringen de waardewet buiten beschouwing laat, men “de prijs daarvoor moet betalen”; en door dit te doen beperkt men automatisch de beschikbare sociale middelen om in andere behoeften te voorzien. Dit is waar, en ook wij benadrukken de noodzaak van een strikte berekening van de productiekosten op alle gebieden. Maar door zich tot deze economische waarheid te beperken, wordt de sociale inhoud van het overgangstijdperk buiten beschouwing gelaten; dat wil zeggen, door de klassenstrijd buiten beschouwing te laten, houdt Mora een heel belangrijk aspect van het probleem buiten beeld.

In feite is het onmogelijk om in een transitie-economie - net zomin als in elke andere economie met verschillende sociale klassen - te werken met aggregaten als “maatschappelijke opbrengst”, “maatschappelijke kosten” en “maatschappelijke prijs van investeringen”, zonder tegelijkertijd de vraag te stellen: “Wie moet deze prijs aan wie betalen?

De samenleving tijdens de overgang van kapitalisme naar socialisme is niet homogeen. Bij het voeren van een passend beleid inzake investeringen, prijzen, lonen, buitenlandse handel, enz., kan de arbeidersstaat zodanig handelen dat de maatschappelijke voordelen van prioritaire investeringen (numerieke versterking van de arbeidersklasse; verhoging van haar levensstandaard, vaardigheden, cultuur en bewustzijn; versterking van haar leidende rol in de staat en de economie; versterking van haar deelname aan het politieke leven, enzovoort, enzovoort) economisch worden gedragen door andere sociale klassen; de overblijfselen van de voormalige bezittende klassen; het imperialisme; de kleine handelsondernemers en zelfstandige boeren. In een groeiende economie kan deze economische prijs, die met name door handelaars, ambachtslieden en zelfstandige boeren wordt betaald, bovendien gepaard gaan met een stijging van hun levensstandaard, op voorwaarde dat deze stijging geringer is dan zij zou zijn geweest in het kader van het “vrije spel van de waardewet” (bv. dankzij een progressieve inkomstenbelasting).[3]

De waardewet en de buitenlandse handel

Al het voorgaande is uiteraard een algemeen kader voor het beantwoorden van de specifieke problemen die de kwestie van de economische berekening en de oriëntatie van investeringen in elke afzonderlijke arbeidersstaat opwerpt. Hier heeft Mora gelijk wanneer hij benadrukt (p. 18) dat in een klein land als Cuba, dat voor de dagelijkse werking van zijn industrie (reserveonderdelen en grondstoffen) en voor de uitrusting van zijn nieuwe ondernemingen absoluut afhankelijk is van buitenlandse handel, de noodzaak van een rigoureuze economische berekening zich des te meer opdringt dan in een groot, grotendeels autarkisch land als de Sovjet-Unie.

De export vindt plaats tegen wereldmarktprijzen. Om te voorkomen dat deze export een voortdurende aanslag op de nationale economie is (deze export is immers hoe dan ook noodzakelijk om de industrie en de industrialisatie via import in stand te houden), is het noodzakelijk dat de productiekosten van de geëxporteerde waren als geheel lager liggen dan de wereldmarktprijzen. Het is noodzakelijk om ons ten doel te stellen alle verliesgevende exporten geleidelijk af te schaffen, zodat de export niet alleen een middel is om de nationale economie te bevoorraden, maar bovendien een belangrijke bron van accumulatie, een middel om een deel van de kosten van de industrialisatie - een deel van de kosten die voortvloeien uit het niet naleven van de waardewet op de nationale markt! - vanuit het buitenland te dekken. De tendens dat de huidige suikerprijzen op de wereldmarkt stijgen schept bovendien een gunstig kader voor het welslagen van een dergelijk beleid. De geleidelijke diversificatie van de export, om de Cubaanse economie onafhankelijk te maken van toekomstige schommelingen van de huidige suikerprijzen op de wereldmarkt, moet leiden tot de keuze voor andere exportproducten waarbij de productiekosten onder de in het buitenland verkregen prijzen blijven (dat wil zeggen: de gemiddelde prijzen op de wereldmarkt).

Maar Mora verwart de noodzaak om al deze berekeningen op de meest strikte wijze uit te voeren met de uitbreiding van het toepassingsgebied van de waardewet in de Cubaanse economie. De twee verschijnselen zijn niet identiek; ze kunnen zelfs rechtstreeks tegenstrijdig zijn.

De waardewet bepaalt de ruilwaarde van de goederen op basis van de hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeid die nodig is om ze te produceren. Het begrip “maatschappelijk noodzakelijke” arbeid wordt op zijn beurt bepaald door het gemiddelde niveau van de arbeidsproductiviteit in een land, en door het begrip van de effectieve vraag van de samenleving - die nooit verward mag worden met menselijke behoeften of sociale behoeften vanuit een objectief standpunt. In een onderontwikkeld land als Cuba kan de gehele productie van veel industriële sectoren overeenkomen met een “effectieve vraag”, dat wil zeggen dat alle arbeid in deze sectoren als “maatschappelijk noodzakelijk” kan worden beschouwd, ondanks een zeer laag productiviteitsniveau. De verwijzing naar de waardewet lost het probleem van de snelle verbetering van de arbeidsproductiviteit en van de technologische transformaties die deze industrieën moeten ondergaan geenszins op, maar kan het juist alleen maar verdoezelen. Want de waardewet zal de neiging hebben om archaïsche ondernemingen in stand te houden, zolang de toestand van schaarste bestaat, vanaf het moment dat er geen vrij verkeer van kapitaal en vrije invoer van waren meer is die de concurrentie met deze ondernemingen zouden kunnen stimuleren.

De afhankelijkheid van Cuba van de buitenlandse handel is dus geenszins een toepassing van de waardewet, maar houdt juist de noodzaak in van een economische berekening van de relatieve internationale kosten, die een keuze aan economische criteria zou kunnen bieden, los van welke starre “wet” dan ook. De noodzaak om de bevoorrading van het land met reserveonderdelen en grondstoffen te waarborgen, verplicht tot een bepaald exportvolume, zelfs als dit met verlies gebeurt. De noodzaak het bestaande niveau van industrieën die afhankelijk zijn van buitenlandse leveringen in stand te houden en verder te ontwikkelen, dwingt ertoe zo snel mogelijk op zoek te gaan naar winstgevende exportproducten in verhouding tot de prijzen op de wereldmarkt - zelfs als dit betekent dat investeringen moeten worden verlegd naar sectoren die al winstgevend zijn ten opzichte van de nationale markt (sectoren die hun waren al tegen hun ruilwaarde verkopen). De mogelijkheid om met winst te exporteren, om aanvullende middelen uit de export te verkrijgen, om de handel om te vormen tot een constante bron van socialistische accumulatie, zal bovendien de bevrijding van de economie van de tirannie van de “waardewet” mogelijk maken, d.w.z.: de ontwikkeling van nieuwe industrieën mogelijk maken ondanks het feit dat hun productiekosten in het begin hoger zullen zijn dan de prijzen van geïmporteerde producten, zonder dat de levensstandaard of het accumulatietempo in het land daardoor daalt. Dit is een aspect van de werkelijke dialectiek van de afhankelijkheid van de buitenlandse handel en de rol van de waardewet, dat beslist complexer is dan kameraad Mora dacht!

De waardewet en de beslissingsbevoegdheid op bedrijfsniveau

In het debat dat in sommige arbeidersstaten woedt, is het probleem van het toepassingsgebied van de waardewet nauw verbonden met het probleem van de beslissingsautonomie op bedrijfsniveau op het gebied van investeringen. De Joegoslavische auteurs hebben hierover zelfs een nieuw dogma geformuleerd dat om een kritische analyse vraagt: “Zonder het recht van de zelfbesturende collectieven om over een aanzienlijk deel van het maatschappelijke meerproduct te beschikken, is er geen sprake van echt zelfbestuur."[4] Deze analyse moet het probleem vanuit twee aspecten onderzoeken: economische efficiëntie (criteria voor het kiezen van het ene investeringsproject boven het andere), en sociale en politieke efficiëntie (succes in de strijd tegen de bureaucratie en bureaucratisering).

Hoe meer een land achtergebleven is, hoe meer er sprake is van een toestand van vrijwel algemene schaarste, niet alleen in de sector van de productiemiddelen maar ook voor een groot deel van de industriële gebruiksgoederen (althans voor de overgrote meerderheid van de bevolking), en hoe schadelijker de praktijk van zelfinvestering is, des te schadelijker is het om de zelfbesturende collectieven zelf te laten bepalen welke projecten prioriteit krijgen bij productieve investeringen.

Het is namelijk duidelijk dat onder omstandigheden van bijna algemene schaarste aan industriële goederen vrijwel alle investeringsprojecten economisch winstgevend kunnen zijn, hoe grof de economische fouten ook zijn die worden begaan. Vrijwel elke winstgevende industriële of agrarische onderneming (die middelen voor investeringen verschaft) is als een eiland in een zee van onvervulde behoeften. De natuurlijke neiging van zelfinvestering is daarom te voldoen aan wat het meest dringend is, zowel lokaal als in elke sector.

Met andere woorden: als de zelfbesturende ondernemingen over grote middelen voor zelfinvestering beschikken, zullen zij de neiging hebben hun investeringen te richten op dat waaraan zij het meest gebrek hebben (bepaalde kapitaalgoederen; grondstoffen; hulpstoffen; noodzakelijke bronnen voor energie), of op de goederen waaraan hun arbeiders of de inwoners het meest gebrek hebben. Zo worden criteria van lokaal of sectoraal belang boven nationale belangen geplaatst, niet omdat de waardewet wordt “ontkend”, maar juist omdat deze wordt toegepast! Dit betekent, nogmaals, dat de industrialisatie wordt gericht op de “traditionele weg” die zij in het historische kader van het kapitalisme volgde, in plaats van een heroriëntering volgens de eisen van een nationaal geplande economie.

Er kan worden getracht een evenwicht te vinden tussen de nationale planningsvereisten en het toewijzen van aanzienlijke middelen aan zelfbestuurde ondernemingen voor eigen investeringen. Het middel dat hiervoor wordt gekozen kan een heffing zijn ten behoeve van nationale ontwikkelingsfondsen en egalisatiefondsen voor regionale ontwikkeling. Dit is duidelijk een stap in de goede richting, maar het lost het probleem niet op.

Aangezien een onderontwikkelde economie wordt gekenmerkt door het feit dat ondernemingen met een hoge productiviteit nog steeds de uitzondering en niet de regel zijn, volstaat het om hen een deel van hun netto-opbrengst te laten behouden; de ongelijkheid in ontwikkeling tussen de geïndustrialiseerde en de niet-geïndustrialiseerde gebieden, de ongelijkheid in ontwikkeling en in inkomsten tussen de verouderde ondernemingen die slechts een gemiddelde productiviteit hebben en de technologisch “moderne” ondernemingen, zal toenemen in plaats van afnemen. Bovendien moet worden vastgehouden aan dit fundamentele idee van het marxisme: elke economische vrijheid, elke “beslissingsautonomie” en elke “spontaniteit” vergroot de ongelijkheid zolang er naast elkaar sterke en zwakke ondernemingen of individuen bestaan, rijken en armen, bevoordeelden en benadeelden vanuit het oogpunt van locatie, enz. Dit is de reden waarom - en dit moet terloops worden opgemerkt - volgens Marx het mechanisme van de waardewet tot zijn eigen ontkenning leidt; concurrentie mondt onvermijdelijk uit in een monopolie.

De economische logica van een planeconomie pleit daarom volledig voor productieve investeringen met begrotingsmiddelen, althans voor alle grote ondernemingen. Wat aan de ondernemingen moet worden overgelaten, is een afschrijvingsfonds dat groot genoeg is om bij elke vernieuwing van vaste activa (bruto-investeringen) de modernisering van de uitrusting mogelijk te maken. Maar alle netto-investeringen moeten worden gedaan in overeenstemming met het plan, in de sectoren en op de plaatsen die zijn gekozen op basis van voorkeurscriteria die zijn vastgesteld voor de samenleving en haar economie als geheel. Ook in dit opzicht is de stelling van kameraad Guevara juist.

Het probleem is, vooral in de USSR, verdoezeld door het te koppelen aan de kwestie van het vergroten van de materiële prikkels in ondernemingen. Talrijke Sovjeteconomen hebben kritiek geuit op de stimuleringsmaatregelen die vandaag de dag nog steeds in de USSR-economie worden toegepast om de ondernemingen (?) ertoe aan te zetten de plannen uit te voeren. Deze kritiek is over het algemeen terecht. Zij herhaalt wat antistalinistische marxisten al vele jaren kritisch hebben gezegd. Toch volstaat het om de argumenten van deze economen goed onder de loep te nemen om te zien dat het in werkelijkheid gaat om een verhoging van de materiële prikkels voor de bureaucratie, voor wie de groei van de inkomsten op de een of andere manier de essentiële stimulans moet zijn voor de uitbreiding van de productie in de ondernemingen.

Juist hier beweren bepaalde voorstanders van zelfbestuur, met name in Joegoslavië, dat decentralisatie van de investeringsbeslissingen een krachtige garantie zou zijn tegen bureaucratisering. Deze stelling berust op een misvatting. De Joegoslaven hebben gelijk wanneer zij benadrukken dat de macht van de bureaucratie toeneemt naarmate haar vrijheid groeit om over het maatschappelijk meerproduct te beschikken. Maar de technici en economen van de planningscommissie “beschikken” over het meerproduct slechts in de vorm van cijfers op papier; de werkelijke beschikkingsbevoegdheid ligt op het niveau van de onderneming.[5] Hoe meer middelen - afgezien van consumptiefondsen (uitgekeerde inkomsten en sociale investeringen) - ter vrije beschikking van de ondernemingen worden gelaten, hoe meer een bureaucratisering wordt gestimuleerd, althans in een klimaat van algemene schaarste en armoede; tevens wordt de verleiding tot corruptie, diefstal, misbruik van vertrouwen en valse boekingen steeds groter - verleidingen die op het niveau van de planningscommissie niet bestaan, al was het maar vanwege de vele controles. De concrete ervaring met de Joegoslavische “decentralisatie” heeft bovendien aangetoond dat deze een enorme bron van ongelijkheid en bureaucratisering op het niveau van de ondernemingen vormt.

Maar brengt de mogelijkheid van een volledige centralisatie van de investeringsmiddelen op staatsniveau, niet het gevaar dat het economisch beleid in zijn geheel de bureaucratie bevoordeelt, zoals dat was in het stalinistische Rusland? Uiteraard. Maar de oorzaak ligt dan niet in de centralisatie zelf; het ligt in het ontbreken van arbeidersdemocratie op nationaal politiek niveau.[6] Dit betekent dat een echte garantie tegen bureaucratisering afhangt van arbeidersbeheer op bedrijfsniveau en arbeidersdemocratie op staatsniveau. Zonder deze combinatie zal zelfs de autonomie van de ondernemingen niets afdoen aan het autoritaire, bureaucratische en (vaak) onjuiste karakter van economische beslissingen die op het regeringsniveau van het plan worden genomen. Met deze combinatie zou de centralisatie van investeringen - waarbij de prioriteiten democratisch worden vastgesteld, bijvoorbeeld via een nationaal congres van arbeidersraden - bureaucratisering niet in de hand werken, maar juist een van de belangrijkste bronnen ervan onderdrukken.

De waardewet en zelfbeheer

Het “versterken van materiële prikkels” in de ondernemingen kan geen “stimulans” zijn als het om investeringen gaat. Maar het “versterken van materiële prikkels” in de zelfbesturende collectieven kan juist de voortdurende groei van de productie en de productiviteit binnen de ondernemingen stimuleren.

Zeker, onder een regime van een ware socialistische democratie vormen creatief enthousiasme en de vrije ontplooiing van alle inventieve en organisatorische vermogens van het proletariaat een krachtige motor voor een productiegroei. Maar het zou een ernstige idealistische en voluntaristische dwaling zijn te veronderstellen dat dit enthousiasme in een klimaat van armoede - onvermijdelijk in een onderontwikkeld land onmiddellijk na de overwinning van de socialistische revolutie - lang zou kunnen standhouden zonder een toereikende materiële basis.

Het voorbeeld van de Sovjet-Unie, waar het proletariaat in de eerste jaren na de Oktoberrevolutie blijk gaf van een ongeëvenaard enthousiasme en een ongeëvenaarde geest van zelfopoffering, is in dit opzicht leerzaam: een lange periode van ontbering leidde onvermijdelijk tot een toenemende passiviteit onder de arbeiders, waarbij dagelijkse materiële zorgen voorrang kregen boven het bijwonen van vergaderingen.

Het is dan ook van cruciaal belang om zelfbestuur te koppelen aan de mogelijkheid voor de arbeiders om onmiddellijk te beoordelen of elke inspanning om de productie te verhogen succesvol is door de verbetering van hun levensstandaard. De eenvoudigste en meest transparante methode is het uitkeren van een deel van de netto-opbrengst van de onderneming aan de arbeiders in de vorm van één of meer maanden bonusloon, waarbij het bedrag automatisch stijgt of daalt naargelang het opbrengstniveau. Het toenemende collectieve materiële belang van de werkers bij het beheer van de ondernemingen is bovendien superieur aan stukloon, in zoverre het geen verdeeldheid en conflicten binnen de arbeidersgemeenschap veroorzaakt, en in zoverre het beter aansluit bij de hedendaagse techniek, die steeds minder belang hecht aan individuele output en steeds meer aan de rationele organisatie van de arbeid.

Zelfbeheer (en niet enkel arbeiderscontrole) lijkt het ideale model te zijn voor de organisatie van socialistische ondernemingen. Maar het staat geenszins een min of meer onbeperkte concurrentie tussen de ondernemingen in de weg, die voortvloeit uit hun autonomie op het gebied van prijzen en investeringen. Deze autonomie kan niet anders dan een reeks misstanden voortbrengen die inherent zijn aan het kapitalistische regime: monopolieposities die worden uitgebuit bij de vaststelling van prijzen en inkomsten; pogingen om deze monopolies te verdedigen door ontdekkingen en technische verbeteringen te “verbergen”; verspilling en dubbel werk op het gebied van investeringen; hoge kosten of fouten in de besluitvorming, die achteraf op de markt aan het licht komen (waaronder de sluiting van ondernemingen); het opnieuw opduiken van werkloosheid, enzovoort, enzovoort. Dit is vanuit economisch oogpunt nutteloos en schadelijk en vormt geenszins een voldoende garantie tegen bureaucratisering, zoals we hierboven hebben aangegeven.

In dit verband is de polemiek van Lenin en Trotski tegen de stellingen van de “Arbeidersoppositie” nog steeds geldig. Het marxisme mag niet worden verward met de leer van het anarchosyndicalisme. De echte garantie voor de macht van de arbeiders ligt op politiek niveau; deze moet op staatsniveau worden gevestigd; elke andere oplossing is utopisch; dat wil zeggen, op de lange termijn onwerkbaar en een bron voor de heropleving van een machtige bureaucratie.

Om al deze redenen impliceert zelfbeheer geenszins dat er in vergelijking met de gecentraliseerde planning in grotere mate gebruik wordt gemaakt van de “waardewet”.[7] De basisgegevens van het probleem blijven ongewijzigd. Het is noodzakelijk om nauwkeurige berekeningen van de productiekosten uit te voeren om voor elk product aan te tonen of de productie ervan al dan niet gesubsidieerd is. Maar niets leidt tot de conclusie dat de prijzen “moeten worden bepaald door de waardewet”, dat wil zeggen door de wet van vraag en aanbod. Als een dergelijke conclusie nog enige betekenis heeft met betrekking tot consumptiegoederen, is ze zinloos voor productiemiddelen, die - we herhalen het - geen waren zijn, althans in de overgrote meerderheid van de gevallen. En zelfs productiemiddelen die nog wel waren zijn - die welke door de particuliere of coöperatieve sector worden geproduceerd voor levering aan de staat, en die de staat aan particuliere ondernemingen of coöperaties ter beschikking stelt - kunnen niet “tegen hun waarde” worden verkocht zonder onder bepaalde omstandigheden particuliere primitieve accumulatie ten koste van socialistische accumulatie aan te moedigen. Maar als de productiemiddelen niet “tegen hun waarde” worden verkocht, wordt de “waarde” van de consumptiegoederen zelf ingrijpend gewijzigd.

Prijzen zijn dus instrumenten van socialistische planning en kunnen in het tijdperk van de overgang van kapitalisme naar socialisme niets anders zijn. Als je spreekt van een instrument van planning, spreek je tevens van een instrument voor het bepalen van de verdeling van de nationale inkomsten tussen consumptie en investeringen, een instrument voor het bepalen van de verdeling van de inkomsten onder de verschillende klassen en lagen van de natie. Het bepalen van deze verdeling overlaten aan de “waardewet” betekent dat men het uiteindelijk overlaat aan de “wetten van de markt”, aan de “wet van vraag en aanbod”, dat wil zeggen aan een economisch automatisme. En economisch automatisme zou ons snel terugvoeren naar een economie van het semi-koloniale type.

Maar zeggen dat prijzen niet door de waardewet kunnen worden bepaald, betekent geenszins dat zij onafhankelijk van deze wet kunnen zijn. De samenleving kan nooit meer waarden verdelen dan zij heeft gecreëerd, zonder haar geaccumuleerde rijkdom geleidelijk te vernietigen en zichzelf in de absolute zin van het woord te verarmen. De totale som van de prijzen moet daarom gelijk zijn aan de totale som van de waarde van de geproduceerde waren (ervan uitgaande dat er geen monetaire waardevermindering heeft plaatsgevonden). De verdeling van bepaalde producten - in waren of bonnen - onder hun waarde (subsidies!) betekent automatisch een verdeling van andere producten boven hun waarde. Zonder een strikte berekening van de productiekosten; zonder boekhouding op basis van een objectief criterium; zonder een soort dubbelboekhoudsysteem dat voor elk product, naast de door de staat vastgestelde prijs, de werkelijke kosten en de subsidie (of de belasting) - is er niet alleen geen mogelijkheid voor echte wetenschappelijke planning, maar is er bovenal geen stimulans voor de fundamentele economische dynamiek van het overgangstijdperk - de dynamiek die de ene na de andere nieuwe industrietak geleidelijk verheft tot het punt waarop deze “concurrerend” wordt ten opzichte van de prijzen op de wereldmarkt, tot het moment dat het socialisme zijn volgende triomf aankondigt, wanneer de socialistische industrie als geheel opereert met een productiviteit die superieur is aan die van de meest geavanceerde kapitalistische industrie.

Op dit moment zou de “waardewet” in theorie de dynamiek van de arbeidersstaat kunnen bepalen (of beter gezegd: de arbeidersstaten als internationaal geheel; want het lijkt uitgesloten dat deze situatie eerst “in één enkel land” zou kunnen worden bereikt). Maar op het moment dat zij op het punt staat te zegevieren, verdwijnt haar bestaansreden. Het hoogste productiviteitsniveau dat onder het kapitalisme in al zijn takken wordt bereikt, kan niet worden overtroffen zonder een zodanig niveau van overvloed te benaderen dat de warenproductie afsterft. In de arbeidersstaat kan de “waardewet” investeringen alleen kanaliseren in de mate waarin zij afsterft en in de mate waarin daarmee ook alle economische categorieën, die het product zijn van een relatieve schaarste aan materiële hulpbronnen, eveneens afsterven.

_______________
[1] “De planeconomie in de overgangsperiode is weliswaar gebaseerd op de waardewet, maar schendt deze niettemin bij elke stap en stelt verhoudingen tussen de verschillende economische sectoren - en in de eerste plaats tussen industrie en landbouw - vast op basis van gelijke ruil. De staatsbegroting fungeert als hefboom voor gedwongen accumulatie en geplande verdeling. Deze rol moet worden versterkt in overeenstemming met de meest recente economische vooruitgang. Kredietfinanciering domineert de verhoudingen tussen de gedwongen accumulatie via de begroting en de marktschommelingen, voor zover deze laatste een rol spelen ... Als de binnenlandse Sovjetmarkt wordt “vrijgemaakt” en het monopolie op de buitenlandse handel wordt opgeheven, zal de ruil tussen stad en platteland veel gelijkwaardiger worden; de accumulatie op het platteland (ik doel hier op de kapitalistische accumulatie van de boer, de “koelak”) zal haar gang gaan en al snel zal blijken dat de formules van Marx eveneens van toepassing zijn op de landbouw. Eenmaal op deze weg zou Rusland snel een kolonie worden die zou dienen als basis voor de industriële ontwikkeling van andere landen.” (Leon Trotski: Stalin als theoreticus. Beschikbaar in het Frans in Ecrits 1928-40, deel I, p. 106) [Beschikbaar in het Engels in verschillende vertalingen als Stalin as a Theoretician in Militant, 15 september-11 december 1930 en Stalin as a Theoretician in International Socialist Review, herfst 1956 & winter 1957.]
[2] Onder anderen Novochilov, Kantorovitch en Menchinov. Deze kwestie ligt ten grondslag aan het beroemde debat over het mogelijke gebruik van winst als enig criterium bij de uitvoering van het plan. In werkelijkheid zijn deze economen de woordvoerders van de economische bureaucratie, die meer rechten eisen voor de directeuren van ondernemingen - met name het recht om vrijelijk te beschikken over een deel van de “onzichtbare middelen” (vaste activa).
[3] Van 1924 tot 1927 beschuldigde de stalinistische factie de Linkse Oppositie fel - en met name Preobrazhensky - ervan dat zij “de prijzen van industriële producten wilden verhogen”. Preobrazhensky had eenvoudigweg voorgesteld dat industriële producten “boven hun waarde” aan het platteland konden worden verkocht, wat perfect had kunnen samengaan met een geleidelijke verlaging van de verkoopprijs, gezien de snelle groei van de arbeidsproductiviteit. Maar toen de stalinistische factie de koers verlegde naar versnelde industrialisatie, verhoogde zij de prijzen van industriële consumptiegoederen door middel van extreem hoge indirecte belastingen. Terwijl de omzetbelasting in 1928 niet hoger was dan 17,9 % van de reële omzet van de detailhandel, steeg deze in 1932 tot 78,1 %, en in 1936 bedroeg de nominale omzet van deze handel 107 miljard roebel, waarvan 66 miljard roebel aan belastingen en de reële omzet slechts 41 miljard! (L.H. Hubbard: Handel en distributie in de Sovjet-Unie)
[4] Zo schreef Milentiji Popovic in een artikel getiteld Zelfbeheer en planning:

“Aan de andere kant zijn onze resultaten in de sector van de uitgebreide maatschappelijke reproductie, bij het perfectioneren van het investeringssysteem op basis van de nieuwe verhoudingen, minder overtuigend, hoewel de eerste stappen in deze richting zijn gezet. Het tot stand brengen van niet-administratieve verhoudingen, van economische verhoudingen, op dit gebied komt simpelweg neer op het tot stand brengen van krediet-rente (!) verhoudingen, en op het nemen daarvan als uitgangspunt ...
“Men moet allereerst de tegenstrijdigheid tegengaan die voortvloeit uit het feit dat de middelen ten behoeve van de sociale reproductie uitsluitend via administratieve maatregelen (belastingen, heffingen, bijdragen) worden verrekend, waardoor de organisatie van de arbeid vrij blijft zonder dat deze laatste daarentegen de “eigenaar” wordt; de organisatie van de arbeid ontwikkelt zich in feite tot een uniek kredietsysteem waarin deze middelen tegelijkertijd “van hen” en “gemeenschappelijk” zijn (artikel 11) ...
Het is daarentegen mogelijk te voorkomen dat bij het nemen van beslissingen over investeringen uitsluitend subjectieve en politieke overwegingen in aanmerking worden genomen. Het spreekt voor zich dat deze methode nooit tot het uiterste mag en kan worden doorgevoerd. Maar er kan een systeem worden opgezet waarin de politieke beslissingen betrekking hebben op de algemene koers van de politieke economie, terwijl de verdeling van de voor investeringen bestemde middelen plaatsvindt volgens het kredietmechanisme, op basis van financiële en materiële (!) criteria die min of meer nauwkeurig zijn vastgesteld. Door op deze manier te werk te gaan, wordt het proces van uitgebreide reproductie eveneens “gedepolitiseerd”. Deze “depolitisering” is niet absoluut. Zij moet in die mate worden doorgevoerd dat het bureaucratisme in deze sfeer, net als in de andere, van zijn basis wordt beroofd.” (Mijn cursief - E.M.). - Current Questions of Socialism, nr. 70, juli-sept. 1963, pp. 67-68.


[5] Dit geldt uiteraard niet voor gevallen waarin grondstoffen, apparatuur, goederen en soms zelfs consumptiegoederen centraal worden verdeeld, waardoor deze een ware broedplaats worden voor corrupte bureaucraten.
[6] “Alleen de coördinatie van drie elementen - staatsplanning, de markt en de Sovjetdemocratie - kan zorgen voor een juiste sturing van de economie in het overgangstijdperk en ervoor zorgen, niet dat de onevenwichtigheden binnen enkele jaren worden weggenomen (dat is utopisch), maar dat ze worden verminderd en daarmee de basis van de dictatuur van het proletariaat worden vereenvoudigd, totdat nieuwe overwinningen van de revolutie het werkterrein van de socialistische planning zullen verbreden en het systeem ervan zullen herstructureren.” (Leon Trotski: De Sovjeteconomie in gevaar. Beschikbaar in het Frans in deel I van écrits 1928-1940, p. 127). [In het Engels, in een andere vertaling, zie The Soviet Economy in Danger” in Militant, 12 november 1932-7 januari 1933.]
[7] Enkele Joegoslavische auteurs nemen in dit opzicht juiste standpunten in. Bijvoorbeeld dr. Radivoj Uvalic: “Hoewel de open markt op grote schaal kan worden benut, kan zij niet de enige of zelfs maar de belangrijkste regulator zijn van de sociaaleconomische verhoudingen in een socialistisch land.” En nogmaals: “Het belang van de planmatige sturing van de economische ontwikkeling onder socialistische omstandigheden ligt in de eerste plaats in de mogelijkheid die hierdoor wordt geboden om de winstgevendheid te beschouwen vanuit het oogpunt van de economie als geheel en niet vanuit het oogpunt van elke afzonderlijke economische eenheid ... Dit geldt voor alle sectoren met een hoge kapitaalconcentratie (?), zoals de productie van productiemiddelen en grondstoffen, die nooit voldoende zouden kunnen worden ontwikkeld op basis van het toevallige spel van de markt, met de winstmarge als enige stimulans.” (In: Socialist Thought and Practice, nr. 6, pp. 47 en 55)